Het is een ding: namen in fantasy boeken. Sommige lezers haken af als de namen te ver afstaan van wat wij zijn gewend. Maar ik ben ook al eens op de vingers getikt, omdat Jakob als naam voor mijn belangrijkste God te gewoon zou zijn. Er is natuurlijk geen absolute regel voor het geven van een naam aan een fantasy personage. Maar het is wel iets waar in ieder geval ik en ik denk heel veel schrijvers hun hoofd over breken. Al ligt dat er misschien ook aan hoe groot de wereld is waarin die personages leven.
In het begin van mijn schrijven was ik er nog niet heel erg mee bezig. Of in ieder geval veel minder dan nu. Mijn verzonnen wereld was nog klein, dus was het gemakkelijker om vertrouwde namen te kiezen. Hoewel die God met die simpele naam ooit Ja’aqob heette en ik daar van af ben gestapt, omdat ik het onnodig ingewikkeld vond. Lumea, Elion en Gisal uit mijn debuut Hydrhaga waren prima te doen. En in de Lilith trilogie kon een wat ingewikkelder naam als Ferhdessar best, omdat ik verder Lilith, Kasimirh en Yvar had.
Maar heel wat boeken verder is mijn wereld een stuk groter geworden. En een diversiteit aan namen is een goede manier om recht te doen aan de diversiteit aan wezens en culturen die deze wereld bevolken. Logisch dus dat de namen van mijn personages ook steeds verder afstaan van wat wij zijn gewend.
(Lees verder onder de afbeelding.)

Het project waar ik nu aan werk, speelt in arctisch gebied. Mijn poolvolk is geïnspireerd op de Inuit. De Inuit hebben een taal die me fascineert. Meerdere woorden of zelfs hele zinnen kunnen één nieuw woord vormen. Het staat vol met q’s en dubbele i’s en andere mooie combinaties die wij in onze taal niet kennen. En die wij dus ingewikkeld vinden.
Weetje: Al sinds buitenstaanders in contact kwamen met de Inuit hebben zij problemen met hun namen. Vissers en handelaren deden geen moeite ze te leren en gaven de mensen die ze tegenkwamen voor het gemak Europese namen. Missionarissen gebruikten Bijbelse namen die waren verbasterd naar het Inuktitut. Maar dat bleef problemen geven en dus kregen de Inuit later identificatienummers vergelijkbaar met dog tags uit het leger. Het was een leren schijfje met een letter die grofweg aangaf of je uit het oosten of westen kwam en een nummer. De Inuit moesten dit altijd bij zich dragen. Nu hoefden de overheid en andere instanties geen moeite meer te doen om iemands naam te leren, maar konden ze iemand oproepen aan de hand van dat nummer. Mensen werden letterlijk gereduceerd tot nummers. Gelukkig is het gebruik van deze manier van identificeren nu afgeschaft en vervangen door achternamen (iets wat de Inuit van oudsher niet gebruikten), maar het systeem heeft wel littekens geslagen. Meer lees je hier: https://thecanadianencyclopedia.ca/en/article/inuit-disc-numbers
Goed, terug naar mijn verhaal. Waar kies ik voor? Vereuropees ik de namen voor het gemak van mijn lezer? Of doe ik mijn best om de cultuur te eren die ik zo interessant vind en die me geweldige inspiratie heeft gegeven voor mijn eigen poolvolk?
Ik heb een paar manieren gevonden om hier mee om te gaan.
Mijn belangrijkste personages worden meestal aangesproken met hun kortere bijnaam. Nàk Aktuq heet vrijwel het hele boek Nàka. Sa Avtuq, haar aangenomen zoon, is Saav. Tuviatchiak wordt Tuviat of zelfs Tuv genoemd. Alleen bij officiële gelegenheden worden zij bij hun volle naam genoemd. Of als ze iemand echt goed boos hebben gemaakt.
Verder probeer ik zoveel mogelijk hele verschillende namen te gebruiken. Nàka’s ouders zijn ouderlingen, dus het zou niet gepast zijn om hen een bijnaam te geven. Zij heten Atan Niun en Su Vaich. Dat lijkt me prima te onthouden.
Met bijpersonages die niet vaak voorkomen of die je als lezer best weer grotendeels mag vergeten, kruip ik dichter naar het Inuktitut. Zo spelen onder andere Uutinnik, Audlakiak en Kalliktuk een bescheiden rol of een rol die ik gemakkelijk weer kan uitleggen aan de lezer, bijvoorbeeld de pestkop of de betoverde en geroofde man.
Maar ik heb nog niet alles uitgevogeld. Plaatsnamen vragen in mijn ogen om kleurrijke aanduidingen. Nou noem ik niet veel plaatsen bij naam, dus ik denk dat ik wel wegkom met Tulattarvik en Nunákqik. Maar wat te doen met termen? Ik heb er een paar die ik geweldig kan vertalen. Maar moet ik dat wel doen?
(Lees verder onder de afbeelding.)

Nàka is een Hartwaker. In haar taal is dat een Umantu’uhglak.
De vloekdragers zijn de vijanden in dit verhaal en ik zou ze zo graag ook aanniq’tsimajuit noemen, naast vloekdrager en monster. Deze naam geeft ook zoveel weer over wie en wat zij zijn. Maar het is wel lang en ingewikkeld…
Ik heb geluk met de term Doemspreker. Als er geen goede vertaling is, verbasteren de Inuit de Engelse woorden naar hun eigen taal. Doemspreker = Doom sayer = Tuumsaia. Die houd ik er zeker in.
Dus tja, het blijft iets waar ik mijn hoofd over breek. Wat ik wel zeker weet is dat ik het niet te veel wil versimpelen. Met in mijn achterhoofd de Europeanen en Canadezen die te lui waren om andere namen te leren en dus de genummerde schijfjes verzonnen, kan ik het niet goedpraten om iets soortgelijks te doen. Ik ga dus nog verder op zoek naar de balans tussen niet te ingewikkeld en niet te gewoontjes.
Op Substack blog ik wekelijks over mijn verhalen, het schrijven en wat me nog meer bezighoudt. Als je je abonneert, mis je nooit meer een post. Zie ik je daar?